Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9268

Datum uitspraak2007-12-04
Datum gepubliceerd2007-12-04
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01701/07 H
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening. De enkele omstandigheid dat het Hof de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege heeft opgelegd, zonder dat, daaraan naar in de aanvrage wordt gesteld, een advies is voorafgegaan dat voldeed aan de eisen van art. 37.2 Sr, levert niet op een novum a.b.i. art. 457.1.2 Sv.


Uitspraak

4 december 2007 Strafkamer nr. 01701/07 H JH Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 oktober 1998, nummer 23-000687-98, ingediend door mr. J.V.C. Constandse, advocaat te Haarlem, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, ten tijde van de aanvrage verblijvende in de Prof. Mr. W.P.J. Pompekliniek, locatie Nieuw Vosseveld te Vught. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 2 maart 1998 - de aanvrager ter zake van "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en daarbij gelast dat de aanvrager ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. 2. De aanvrage tot herziening De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. Beoordeling van de aanvrage 3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 3.2. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid - het zogenoemde novum - kan blijken. 3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De enkele omstandigheid dat het Hof de hiervoor onder 1 vermelde last heeft gegeven zonder dat - naar in de aanvrage wordt gesteld - daaraan een advies is voorafgegaan dat voldeed aan de eisen van art. 37, tweede lid, Sr, levert niet op een novum als evenbedoeld. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen. 4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 december 2007.